Zeevissen Familie van der Toorn
  Terug naar familievandertoorn home Visvakantie's Uitrusting Vissoorten Vangsttabel zeevis links  

 

 

De vissoorten die te vangen zijn en die ik wel eens gevangen heb

Kabeljauw
Maximale lengte 1,9 m, meestal 50-80 cm. Rug en flanken meestal groenbruin met vlekken, buik wit. Opvallend witte zijlijn. Drie rug- en twee anaalvinnen. Kindraad. Leeft in scholen, meestal nabij de bodem. Trekvis. Noordelijke Atlantische Oceaan, van de Golf van Biskaje tot Groenland, Spitsbergen en Nova Zembla. Jonge dieren noemt men gullen. De gedroogde vorm stokvis. Hoofdaanvoer in onze streken winterhalfjaar.
Wijting
Maximale lengte 70 cm, meestal 30-40 cm. Rug groenblauw, flanken zilverkleurig (wit bij rode vis), zwarte vlek aan de basis van de borstvin. Drie rugvinnen en twee anaalvinnen. Geen kindraad en geen zwarte zijlijn. In Europa van Barentszee in het noorden tot noordkust van Portugal, in het zuidelijk deel Oostzee, westelijk deel Middellandse Zee, Adriatische en Zwarte Zee. Gehele jaar gevangen, meer in winterhalfjaar. Gebakken verkocht onder de naam "lekkerbekje".
Zeebaars
Maximale lengte 100 cm lang worden, 12 kilo wegen. Zo is de wilde zeebaars helder zilverachtig van kleur en heeft hij iets grotere schubben. Hij is een rover die alles eet wat beweegt. De paaiperiode is afhankelijk van zijn verblijfplaats. In het zuiden schiet hij kuit tussen januari en maart, de meer noordelijke exemplaren doen dat van maart tot juni. Hoe meer de watertemperatuur in de loop van de zomer stijgt, des te noordelijker schuift zijn leefgebied op. Dat wil zeggen dat ze de zuidelijke exemplaren op dat moment onze kust passeren. Wanneer ze dat doen, is er een ruim voedselaanbod. Hij is op dat moment dan ook lekker dik. Wanneer de zeebaars op dat moment ook nog eens met de lijn gevangen wordt en er dus uiterst voorzichtig mee wordt omgegaan,
Hondshaai
Eerste rugvin begint achter de inplant van de buikvinnen. 2 Tweede rugvin begint recht boven het einde van de inplant van de anaalvin. 3 Ruwe, grijsbruine huid met zeer veel kleine bruinrode vlekken. Verspreiding Noordoost-Atlantische Oceaan en Noordzee. Langs Nederlandse kust niet algemeen. Leefwijze Leeft meestal nabij zandige of zachte bodems op een diepte van 10-65 meter. De eieren worden inwendig bevrucht. Het vrouwtje legt in het voorjaar ongeveer 20 eieren, die aan zeewier of rotsen worden gehecht. De relatief grote eikapsels spoelen veelal leeg aan op het strand. Voedsel Weekdieren, schaaldieren, wormen, kleine vissen.
Koolvis
Herkenning 1 Drie rugvinnen en twee anaalvinnen. 2 Volwassen dieren bovenstandige bek zonder kindraad; jonge dieren eindstandige bek met zeer korte kindraad. 3 Zijlijn vrijwel recht en licht van kleur. 4 Voorzijde eerste anaalvin ter hoogte van de ruimte tussen de eerste en tweede rugvin. Verspreiding Noordoost- en Noordwest-Atlantische Oceaan, Noordzee. Langs de Nederlandse kust schaars, maar regelmatig in havenmonden. Leefwijze Leeft vrijzwemmend in scholen tot een diepte van 250 meter. Paait van februari tot april in de noordelijke Noordzee op een diepte van 200 meter in water van 6-8°C. Onderneemt lange trektochten. Voedsel Voornamelijk vis, kreeftachtigen, inktvissen en slangsterren.

 

Schar
Maximale lengte 42 cm, meestal 30 cm. Gekleurde zijde lichtbruin tot grijsbruin met kleine roestbruine stipjes. Ogen op de rechterzijde. Kop en kaken vrij klein. Ruwe huid. Oostelijke Atlantische Oceaan, van de Witte Zee en IJsland tot de Golf van Biskaje.
Tong
Maximale lengte 70 cm. Gekleurde zijde bruin tot donkerbruin met onregelmatig verspreide en gevormde vlekjes en stippen, blinde zijde crèmewit, zwarte ovale vlek op het uiteinde van de borstvin. Oostelijke Atlantische Oceaan, van Zuid-Noorwegen tot Senegal; vrijwel de gehele Middellandse Zee. Belangrijke soort voor de Nederlandse visserij.
Schol
Maximale lengte 1 m, meestal 35-40 cm. Gekleurde bovenzijde donkerbruin tot donkergroen met over het hele lichaam verspreide heldere oranje stippen. Ogen bijna altijd op de rechterzijde; in zeldzame gevallen op de linkerzijde. Kop en kaken vrij klein. Huid glad, op de kop rij van benige knobbeltjes van de oogstreek tot de zijlijn. Oostelijke Atlantische Oceaan, langs de kusten van geheel Europa en in de westelijke Middellandse Zee. Eén van de belangrijkste soorten voor de Nederlandse visserij.
Tongschar
Maximale lengte 70 cm, meestal 20-30 cm. Gekleurde zijde bruin met onregelmatige, gemarmerde donkerbruine tekening met groene en lichtbruine vlekken; onderzijde wit. Ogen op de rechterzijde. Kleine kop en zeer kleine bek. Oostelijke Atlantische Oceaan, van de Witte Zee en IJsland tot de Golf van Biskaje; Noordzee.

 

Geep
Maximale lengte 95 cm. Rug en bovenkant van de flanken zijn groen, voor het overige zilverkleurig met geelgetinte onderzijde. Lang slank lichaam, snavelbek met zeer kleine tanden. De onderkaak is wat langer dan de bovenkaak. Rug- en anaalvin zijn ver naar achter geplaatst, met vijf bijvinnen achter de rugvin en zeven bijvinnen achter de anaalvin. De graten zijn groen. Verspreiding: In de oceanen van het Zuidelijk Halfrond en in de Noordatlantische Oceaan en Noordzee.
Zeeduivel
Maximale lengte 1,8 m, meestal tot 1 m. Bovenzijde roodbruin tot groengrijs met donkere vlekken, onderzijde vuilwit, donkere randen langs borst- en buikvinnen en anaalvin. De voorste rugvinstralen zonder membraan; de eerste met aan het uiteinde een vlezig aanhangsel. Dit aanhangsel fungeert als lokker van prooi en kan voor de geopende bek heen en weer worden bewogen. Oostelijke Atlantische Oceaan, van Noorwegen tot de Straat van Gibraltar; Middellandse en Zwarte Zee. Meestal aangevoerd zonder de kop, "hozemond hammen".

 

Krab
Breedte maximaal 30 cm, meestal 20 cm. Kleur rugschild en poten bruinrood, de vingers van de scharen donkerder van kleur tot zwart. Onderzijde wit. Het rugschild is opvallend breed en bijna ovaal. De beide scharen zijn fors, glad en even sterk ontwikkeld. Oostelijke Atlantische Oceaan, o.a. Noord-Noorwegen tot Portugal, Middellandse Zee.
De Noordzeegarnaal
wordt vooral aangetroffen op zand en zandslikbodems, in ondiepe kustwateren. 's Zomers dichtbij de kust, waar de zon het water op temperatuur heeft gebracht. In de wintermaanden verder de zee in, in gebieden die nog niet zijn afgekoeld. Overdag graaft de garnaal zich in, alleen de ogen en antennes steken uit het zand. 's Nachts krijgen ze een donkere schutkleur en gaan ze op zoek naar voedsel (algen, slakjes en allerlei plantaardig voedsel). Garnalen worden het hele jaar door gevangen, met duidelijke pieken in april/mei en in de herfstmaanden.